5 Stripboeken waar je mee opgegroeid bent

Van Slecht Voor Kinderen naar leuk voor iedereen

Als je een babyboomer bent, heb je vrijwel zeker stripboeken gelezen. Er is een goede kans dat je ouders en je school het niet goed vonden, maar ik heb nooit iemand ontmoet die zich daardoor liet tegenhouden.
Strips stonden allang in de krant, het eerst in de VS. De eerste strip in een Nederlandse krant verscheen in 1921 en daar had toen niemand een probleem mee. In de VS verscheen in 1942 nog een artikel in het keurige familieblad The Family Circle, waarin juist werd gezegd dat strips goed waren voor je kind.
Pas toen strips populair werden, besloten pedagogen en overheden dat ze Slecht Voor Het Kind waren. In Nederland werden sommige strips al in 1948 op scholen verboden. Het ging dan vooral om beeldromans van een sensationeel gehalte zonder enige andere waarde zoals de detective Dick Bos en Charlie Chan, maar in de praktijk kregen alle stripverhalen hetzelfde imago. Er kwam zelfs een comité ter bestrijding van slechte beeldromans. Maar toen lazen wij nog niet.
Begin jaren 60 mochten wij ineens een abonnement op de Donald Duck, toen er op lagere scholen een kleurplaat-met-wedstrijd werd uitgedeeld die de deelnemertjes slim aan het zeuren zette bij hun ouders. Blijkbaar was er toen besloten dat alleen sommige strips Slecht waren.

Stripboeken

Die Donald Duck-blaadjes mochten nooit weggegooid worden. Wij hadden er stapels en we lazen ze keer op keer. Ook toen er stripboeken kwamen mochten ze niet weg worden gegooid, maar aan een stripboek had je wel meer. Dat ging helemaal over je favoriete stripfiguur.
Als je ze nu bekijkt, zijn die oude Kuifjes en Suskes en Wiskes braaf en moralistisch. (Misschien om op de lijst te komen van ‘niet slechte’ strips?) De tekenstijl was ook veel simpeler: die eerste strips waren echt voor kinderen en zij waren een verhaaltje in tekeningen. Daarna kwamen modernere strips zoals Asterix en Obelix, met veel meer aandacht voor de tekeningen: die zijn veel gedetailleerder voegen zelfstandige (beeld-)grappen toe. Ook volwassenen vinden ze leuk. In de albums van Lucky Luke zie je het omslagpunt van de oude soort in de eerste boeken naar de nieuwe in de latere.
Hier zijn er 5 voorbeelden die je zeker kent, met excuses aan Robbedoes, Guust Flater en al die andere.

1. Kuifje

TintinKuifje was een van de eerste stripalbums, gemaakt door een Belgische striptekenaar die werkte onder het pseudoniem Hergé. In mei dit jaar werd er nog een (Franstalig) exemplaar van het eerste album uit 1930 geveild. Tintin au pays des sovjets (Kuifje in het land van de Sovjets; foto Catawiki) bracht 30.000 euro op bij Catawiki. Het was een felle aanval op de Sovjets, Hergé noemde dit album later een jeugdzonde. Maar toen dat uitkwam bestonden wij helemaal nog niet.
Wij lazen Kuifje in het Nederlands bij ‘grote’ buurkinderen en vonden hem maar zozo. Kuifje is een jonge verslaggever – hij ziet eruit alsof hij daar te jong voor is, hij is 16 of 17 – die met zijn hondje van alles onderzoekt. Wij vonden die boeken nogal braaf. Zij bleven verwijzingen bevatten naar politieke en maatschappelijke toestandenden, lees ik nu: wij merkten dat als kind niet op, maar het brave gemoraliseer wel.

2. Suske en Wiske

suske-en-wiske-het-eiland-amorasOok Belgisch en ook moralistisch, maar humoristischer, waren Suske en Wiske. Zij zijn in 1945 bedacht als krantenstrip door Willy Vandersteen (1930-1990) en later voortgezet door anderen als Studio Vandersteen. Het eerste album ging over Wiske en haar broertje Rikki. In juni dit jaar werd er een exemplaar van De avonturen van Rikki en Wiske uit 1946 geveild voor ruim 4.000 euro. Die eerste albums hadden één kleur, in 1967 kwam het eerste kleurenalbum. Het tweede was Suske en Wiske op het eiland Amoras, het eerste avontuur uit de krant met Suske, die daarin wordt ontdekt door Wiske en haar tante Sidonia. Lambik kwam er al snel bij, Jerom pas in 1953. Overigens bleek in 2009 dat de moralistische Vandersteen in de oorlog antisemitische prenten tekende onder het pseudoniem Kaproen én prenten tegen de nazi’s met het pseudoniem WIL. Het is niet te merken aan de stripboeken. Die bleven populair.

3. Sjors en Sjimmie

Sjors en JimmyDe Sjimmie die wij ons herinneren uit de Sjors en Sjimmie-albums bestaat niet meer. Kijk in de video hieronder hoe dat zit.
Sjors was gebaseerd op een Amerikaanse krantenstrip uit de twintiger jaren, Perry and the Rynkydinks van Martin Branner. In Nederland heette hij: Sjors van de rebellenclub en werd hij al snel overgenomen door Nederlandse tekenaars, wat uiteindelijk leidde tot de Sjors en Sjimmie-stripboeken. Sjors van de rebellenclub als circusartiest, het eerste stripboek waarin ook Sjimmie voorkomt (hij heet dan nog Jimmy) kwam in 1950 uit en is getekend door Frans Piët. Daarna zat Sjimmie in alle avonturen en terwille van de alliteratie ging hij Sjimmie heten. Hij zag eruit als een cliché-wildemannetje en praatte krom. Lang voor de zwartepietencontroverse werd hij zonder veel ophef helemaal herzien.

Lucky Luke

De spoorweg door de prairieDe eerste Lucky Luke-albums, ook Belgisch, zijn tamelijk oud. De strip werd bedacht door de Belg Maurice De Bevere onder het pseudoniem Morris, die toen de tekeningen én het scenario deed.
In het eerste album, Dick Digger’s Goudmijn uit 1949, is de tekenstijl van Morris nog heel simpel. Het plaatje is illustratie zonder extra grappen en de verhalen vullen niet het hele boek.
Maar met de jaren veranderde de cowboy nogal en ook de scripts werden minder simpel nadat in 1957 René Goscinny die ging schrijven. Het eerste stripboek van het duo Morris en Goscinny was De spoorweg door de prairie. Het verhaal vulde voor het eerst een heel boek en het album zat vol grappen die ook volwassenen konden waarderen, ook in de tekeningen. Zo maakt de spoorweg een bocht om hindernissen in het terrein heen.

5. Asterix en Obelix

Asterix de GallierDiezelfde René Goscinny is ook de schrijver van Asterix en Obelix, een strip die hij vanaf 1959 maakte met tekenaar Albert Uderzo. Het eerste album, Asterix de Galliër, verscheen in 1961. Asterix en Obelix waren meteen een succes. Zij zijn vele malen vertaald en ze zijn verfilmd.
De tekeningen zijn gedetailleerde kunstwerkjes vol grappen die ook volwassenen geestig vinden. Bovendien zijn de namen van de figuren woordspelingen en bevat de tekst allerlei anachronismen die de spot drijven met de gewoonten in de landen die de twee bezoeken. Zo onderbreken de Engelsen hun gevechten ’s middags om een kopje heet water te drinken (thee was toen nog niet bekend in Europa). Goscinny en Uderzo maakten 24 albums, tot Goscinny overleed in 1977. Zijn naam staat nog steeds op de albums, als eerbetoon: Uderzo deed van toen af aan ook het script.

 

Grote foto: Morguefile, foto Seemann

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.