Als je maar in beweging blijft

Ouderenzorg en eenlingen

Niet alles wat over babyboomers wordt beweerd is onzin. Een enkele keer lees je over de ‘zorg’ voor oude ouders die veel van ons hebben. Waaruit die bestaat, blijft dan onduidelijk. Zorgen maken kunnen we ons allemaal wel, maar ‘zorg’ wekt toch de verwachting dat er ook iets wordt gedaan. Dat is minder makkelijk.

Zorg

Op twitter volgde ik een tijd lang de zorgen van een vrouw die modeldochter tegen wil en dank was geworden doordat zij – noodgedwongen, leek het – haar oude demente moeder ‘in huis had genomen’. (Zoals dat heet. Het roept beelden op van een uitgemergelde straatkat die de meubels kapot krabt, maar waarover zich toch iemand ontfermt.)
Deze vrouw zorgde letterlijk voor haar moeder en tweette onder pseudoniem over schijnbaar kleine dingetjes waarvan een normaal mens tegen het plafond zou vliegen. Zij vloog niet, maar het kostte haar moeite, dat was te zien. Toen de moeder eindelijk overleed, tweette zij genadeloos eerlijk over de opluchting die zich mengde met haar verdriet.
Chapeau voor die vrouw. Zij is altijd vriendelijk gebleven over haar moeder.

Als iemand zegt dat je ‘dát toch niet meer van kinderen mag verwachten’ mompel ik maar wat, want eigenlijk verwacht ik dat stiekem wel van de kinderen van oude mensen, inclusief mijzelf. Ik geloof geen moment dat mensen dit vroeger gemakkelijker konden opbrengen dan nu, maar zij hadden geen keus – onze generatie wel. Dus bieden wij niet de gewenste tegenstand als onze ouders zeggen dat zij ons ‘beslist niet tot last willen zijn’ terwijl zij naar een verzorgingshuis verdwijnen. Als iemand op hoge toon roept dat ‘de maatschappij’ dit verplicht is aan oude mensen die nog familie hebben, houd ik mijn twijfels dus voor mij.

Eenlingen

Omdat ik toch een tamelijk brave dochter ben, komen sommige bewoners van het verzorgingshuis waar mijn ouders tegenwoordig wonen mij langzamerhand bekend voor. Kennen doe ik ze niet, want dit zijn de echte eenlingen.

In zo’n huis zie je af en toe kleine groepjes mensen netjes om een tafel zitten als heel oude kleuters op een kleuterschool, terwijl een blaag van een meid ze toespreekt op de vals opgewekte vraag-en-antwoordtoon van iemand die helemaal niet met kinderen kan omgaan, maar dat wel moet. Soms zitten de mensen er wat slordiger bij en is er een geanimeerd gesprek gaande, dan moet je even speuren naar degene die het gaande houdt.

Het zal aan mij liggen, maar die mensen vallen mij nauwelijks op als individu. Ik zou ze niet herkennen als ik ze in de gang tegenkwam – wat niet gebeurt, want zij zitten in zo’n groepje. Alleen de eenlingen vallen op, die elk op hun eigen manier als onafhankelijken door het huis bewegen. Van sommigen ken ik zelfs de naam. Over meneer Bot zal ik het niet hebben – die heeft laatst een verzorgster geslagen. Maar er zijn interessante mensen onder.

Mevrouw Beppie

mathJe hebt mevrouw Beppie, als ik het goed begrijp ooit een briljant en misschien gevreesd wiskundelerares, maar nu gekrompen tot een bezorgd klein vogeltje. Voor zij in dit huis terechtkwam, was zij een bekende straatfiguur in haar buurt. Een van de verzorgsters herkende haar toevallig: Maar dat is Beppie, die woont toch in de Pijp!
Niet meer. Het werd haar te moeilijk – misschien om na het dwalen haar huis terug te vinden, of misschien om dat huis zo te houden dat zij ernaar terug wilde. Nu dwaalt zij dan maar door het huis, dat aanzienlijk minder dynamisch is dan de Pijp.
Soms loopt zij tijdens de warme lunch het appartement van mijn ouders binnen. Zij is dan ongerust omdat zij geen geld heeft om eten te kopen, en wil van mijn moeder weten hoe die dat oplost. Mijn moeder herinnert zich hoe zij als kind op het zolderluik van een artistieke tante moest zitten om dreigende deurwaardersbezoeken te blokkeren, dus zij stelt mevrouw Beppie uitgebreid gerust.
Welnee u hoeft geen boodschappen meer te doen, mevrouw, zegt zij een keer of twintig. Dat wordt allemaal voor u gedaan. U krijgt ook gewoon eten en u hoeft er niets voor te betalen. Ga die lunch maar rustig opeten.

Non-stop in beweging

pianoIedereen spreekt haar aan met mevrouw, maar kent haar als Beppie. Van een andere mevrouw kent misschien juist niemand de voornaam meer. Zij wordt er in elk geval niet mee aangeduid, want dit is echt een mevrouw – Plant of zoiets.
Zelfs gebogen over de rollator waarmee zij non-stop in beweging is, oogt zij nog rijzig. Zij is altijd keurig gekleed, haar witte bos haar zit keurig, en zij ziet er altijd uit alsof zij doelbewust ergens naar op weg is. Dat is niet zo, heb ik ontdekt. Maar zij is zeer zelfredzaam.

De eerste en misschien enige keer dat ik haar stil zag staan (zitten schijnt zij nooit te doen) was voor het appartement van mijn ouders. Je zou kunnen zeggen dat wij haar de weg versperden met een kleine familie-volksverhuizing van bezoek, die niet soepel door de deur ging. Maar zij keek wel met enig plezier naar binnen.
Zitten jullie misschien in de muziek?, wilde zij weten. Het huis is eigenlijk bedoeld voor mensen die ooit iets artistiekerigs of intellectueels deden, maar intussen hebben de meeste bewoners maar een vage tweedehandsconnectie met ‘echte’ kunst of wetenschap.
Het stelde haar zichtbaar teleur dat niemand van ons musicus was. Gelukkig kon ik die artistieke tante van mijn moeder uit mijn hoed toveren.
Die speelde ooit heel verdienstelijk piano, volgens de verhalen. Maar door een probleem met haar vingers – zeker niet door een gebrek aan talent! – werd zij niet de gevierde soliste waarvoor zij in de wieg was gelegd en bleef het bij muziekles geven. Dit was allemaal ver voor mijn tijd en stiekem vermoed ik dat de verhalen mooier worden naarmate de oudtante en haar carrière verder in het verleden liggen, maar er zijn momenten waarop twijfel niet op zijn plaats is.
Mevrouw Plant en ik praten even over hoe moeilijk het toch is om solist te worden. Haar ouders waren dat wel. Heel goed waren zij. Zo goed dat zij ze zelden zag: altijd op reis hè. Maar zij redde zich altijd uitstekend, dat had zij wel geleerd. Zelf had zij ook les gegeven. Zij had altijd wel geweten dat zij niet het talent had van haar ouders. Dat gaf niet, zij had er heel prettig mee geleefd, jaren in Scandinavië gewoond zelfs. Maar nu moest zij verder. Je moet zorgen dat je in beweging blijft, anders gaat het niet goed.

De laatste tijd zie ik haar nog wel bewegen, maar het lijkt toch niet meer zo heel goed te gaan. Ik zag haar de straat voor het huis op lopen met een half leeggegeten bordje en een verfrommeld servet voorop haar rollator. Zo slordig kende ik haar niet. Omdat zij wat twijfelend keek toen ik haar groette, liep ik maar onopvallend een eindje achter haar aan. Je weet nooit. Zij kuierde gedecideerd als altijd naar het eind van de straat, maar haar tempo daalde sterk toen de drukke verkeersader aan het eind voor haar opdoemde. Bijna stond zij stil, maar dat gaat natuurlijk niet. Zij zette nog twee stappen en draaide toen voor het eind van haar straatje resoluut om. Daarna liep zij doelbewust op het huis aan.
Zij herkent dan misschien niet alles en iedereen meer, maar zij blijft in beweging. Pas als je niet in beweging blijft, gaat het niet goed.

Foto Didier Baertschiger – CC

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.