dikke dame

Dakloze babyboomer

‘Ik heb niet eens meer een huis, errug he?’

Sinds enige tijd start ik mijn werkdag weer met de kortste weg naar de OV-halte. Waarschijnlijk is dat het minst belopen stukje straat uit de buurt. Dit was het jachtgebied van De Dikke Dakloze Babyboomer, die een ongelukkig eind maakt aan alle verhalen over haar generatie.

Afgezien van haar formaat was haar uiterlijk nogal onbestemd: onbestemde kleur piekhaar, onbestemde kleur tentjurk. Ook haar gezicht bleef onbestemd omdat de meeste mensen zorgvuldig elk oogcontact meden. Dat had nooit het gewenste effect, want zij zat daar om in haar verslaving te voorzien: elke voorbijganger was een potentiële bron van nicotine en werd zonder pardon aangeroepen. Het moet ook lastig zijn om als kettingrookster zonder geld door het leven te gaan.

Zij vulde het bankje voor ‘haar’ deur breeduit en hield met haviksogen de voorbijgangers in de gaten. Ergens anders zag je haar nooit: waarschijnlijk was zij te dik om zich te verplaatsen. Maar iedereen die zich ooit binnen het gezichtsveld van dat bankje met een sigaret had vertoond, werd onthouden en aangeroepen.

Mefraaw, mefraaw, heb je een sigaretje voor me?

Dat is een van de kleine onaangenaamheden waar je als roker aan went. Tenzij het een kind is dat om een sigaret vraagt of een verloederde jonge toerist, geef ik er meestal maar een. Niet uit aardigheid, maar omdat dat zo’n openlijk verslaafde een vals schuldgevoel bij mij oproept. (Ik ben net zo verslaafd, ik heb alleen genoeg geld om zelf sigaretten te kopen.) Dus ik gaf haar haar sigaret.

Toen ik diezelfde avond op de terugweg weer werd aangeroepen reageerde ik niet. Dat hielp niets. Zij schreeuwde rustig door tot ik boos Nee! riep. Terwijl ik doorliep hoorde ik haar binnensmonds schelden.

Een tijd lang meed ik haar straat. Net als elke roker in de buurt die ik ken. Wij wisselden ervaringen uit. Een student had zich een keer mee naar binnen laten slepen en was pas veel sigaretten later weer ontsnapt. Terwijl wij omliepen om niet door die straat te hoeven, hoorden wij in gedachten die rauwe kreet.

Pas toen ik triomfantelijk terug kon roepen: Nee, ik ben gestopt!, nam ik weer die kortste weg. Ook toen ik weer was begonnen; ik zorgde wel dat ik niet rookte binnen het gezichtsveld van haar bankje. Na een tijdje vertoonde zij zich niet meer.

Ik was er zeker van dat zij uit de buurt was verdwenen, toen ik op een dag vlakbij mijn halte, ruim buiten het gezichtsveld van Het Bankje, die stem weer hoorde.

Mefraaw, mefraaw, heb je een sigaretje voor me?

Maar het was niet De Dikke Dakloze die dat riep. Het was een slanke, bijna magere vrouw met een lange knalblonde paardenstaart en een kekke driekwart broek met een kleur. De enige overeenkomst met De Dikke waren die stem, die kreet, en haar leeftijd. Ik gaf haar het voordeel van de twijfel, en een sigaret.

Terwijl ik verder liep schreeuwde zij mij na: Mijn dochter heb mijn man vermoord, errug hè. En nou gaat mijn zoon ook nog scheiden.

Sindsdien zwerft de blonde door de buurt, bedelend om sigaretten. Haar trieste verhaal schreeuwt zij naar iedereen die haar aandacht trekt, in losse afleveringen. Alle afleveringen zijn erg. Als enige vrolijke noot schreeuwt zij soms: Morgen komt mijn dochter en die neemt een hele slof voor me mee! Maar dat wordt steevast gevolgd door de vermoorde vader. De laatste aflevering is: En nu heb ik geeneens meer een huis. Ik zit in een gesticht, errug hè.

Nu weet ik dus hoe een babyboomerette zover komt. Als het verhaal klopt.

Maar intussen zit ik met de knellende vragen: is dit De Dikke? Dat moet haast wel.
Maar hoe is zij dan zo afgevallen?

 

Foto: Sandra Cohen-Rose and Colin Rose – CC/Flickr

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.