Geef jij de oma water?

Onzinnige tips voor oude mensen in hittegolven.

Dat las ik vandaag ergens: “Geef jij de oma water?” Want plantjes en oude mensen moet je water geven als het warm is. Die oude mensen zijn in mijn geval mijn ouders. Je verwacht het niet van mensen die de verwarming standaard op 25 graden hebben staan en dan nog dikke truien dragen, maar ook zij kunnen last hebben van de hitte. En warm is het. De buienradar beweert 26 graden – maar eentje hoger dan hun standaardtemperatuur dus – maar dat is onzin. Ik heb het warm, en dat betekent dat het minstens 30 graden is.

Ik bel ze op, want ik heb het gevoel dat ik iets moet doen. 40% van hitteslachtoffers zijn 65+, las ik ook net op een Amerikaanse site.
Nee, het gaat best. Nee, zij drinken genoeg. Maar als ik langs wil komen is dat wel leuk?
Zij weten heel goed dat dat alleen op zondagen kan omdat ik meestal twee banen tegelijk heb, maar proberen kan je het altijd.

En eigenlijk is dat het enige dat echt helpt. Die tips voor oude mensen en hitte zijn leuk in theorie, maar luister even mee:

7 tips voor ouderen bij een hittegolf? Ha!

1. “Zorg dat ze genoeg drinken…” Nee, wij hebben geen dorst. Ja, je vader zegt dat hij wel een biertje wil. “…en vermijd alcohol- of suikerhoudende dranken, want dat dehydreert.” Ja, om maar te zwijgen van diabetes.
2. “Zorg dat zij los zittende, licht gekleurde kleding dragen.” Ja dat weet ik niet of wij lichte kleren aan hebben hoor, dat kan ik niet zien toch. Ze hebben ons vanmorgen maar wat gegeven.
3. “Blijf tussen 11 en 5 binnen.”
Dat kan geregeld worden, want als niemand ze naar buiten brengt komen zij daar nooit. Punt 4, 5, 6 en 7 zijn stuk voor stuk ook van die onzinnige raadgevingen. “Vermijd inspanning.” Duh. Zij wilden nu juist een marathon gaan lopen. “Houd de warmte buiten met zonwering.” De wat? “Ga naar een plek met goede airconditioning.” Als gezegd, zij gaan helemaal nergens heen, en die verwarming zal ook nog wel op 25 graden staan. Punt 7 was iets vaags met een hittemeter die in de gaten gehouden moest worden, ofzo. Bij mijn ouders wordt helemaal niets in de gaten gehouden.

Als het zondag nog steeds zo warm is, is dat terras waar helemaal nooit zon is en waar zij altijd klagen over kou een goede optie. Dat terras heeft alleen één groot nadeel.

Meneer Bot, die niet drinkt

Meneer BotIk zal hem meneer Bot noemen, want dat is hij, ook al is dat niet zijn naam. Meneer Bot is een van die nadelen van een verzorgingshuis: een medebewoner. Hij is zo’n man met wie je vreselijk medelijden kan hebben, zolang je maar niets met hem te maken hoeft te hebben.
De eerste keer dat ik mijn ouders naar dat terras had gesleept, zeeg er binnen een paar minuten een meneer neer op een stoel naast ons. Een keurige heer met een vollemaansgezicht, geelwit haar en een nogal rood aangelopen, knorrig gezicht.

Zodra meneer Bot zit, begint hij te praten. Hard. Elk ander gesprek wordt onmogelijk.
Het lijkt alsof hij maar wat voor zich heen spreekt, want hij kijkt niemand aan en reageert nauwelijks op wat je zegt, maar hij heeft het wel degelijk tegen ons.
Hebben wij toevallig wijn, wil hij weten.
Ja, niet dat hij drinkt hoor. Laatst had hij een glas op zijn kamer staan, en dat liet hij gewoon urenlang staan.
Want hij drinkt namelijk niet. Niet echt.
Vroeger, toen hij nog bij de bank werkte, nou daar werd wat afgedronken hoor. Maar hij niet.
Hij drinkt namelijk niet.
Maar als wij toevallig wijn hebben, dan drinkt hij wel een glas mee.
O, hebben wij geen wijn. Nou, maar hij drinkt ook niet hoor.

Eenzaamheid

Ik had Meneer Bot al verschillende keren gezien, toen ik door een verzorgster werd gewaarschuwd dat je meneer Bot vooral geen wijn moet geven. Joh.
Al geven wij hem geen wijn, elke keer als wij in een openbare ruimte zijn is hij binnen een paar minuten van de partij. Blijft hopen, misschien? Maar zo optimistisch ziet hij er niet echt uit.
Misschien is hij eenzaam.
Ergens in de loop van zijn monologen stelde hij ons op de hoogte dat hij twee geweldige zoons heeft, met geweldige banen. Zij zouden niets liever willen dan langskomen, maar ja, die drukke banen.
Een vrouw heeft hij ook, maar die wilde niet mee toen hij hier ging wonen. Zij woonde liever ergens anders. Nou, dan doet zij dat toch. Zij zijn zestig jaar getrouwd geweest (of zoiets), maar hem kan het niet schelen hoor.
Het zou dus kunnen zijn dat meneer Bot er altijd bij komt zitten omdat hij eenzaam is.

Verpletterende statistieken

Op de website van het ouderenfonds vond ik wat nare cijfers over eenzaamheid en ouderen. De bronnen (uit 2012) staan er daar keurig bij, dus wie treurig wil worden kan daar gaan kijken. De cijfers gaan over babyboomers en ouder.
Meer dan een miljoen 55-plussers voelen zich eenzaam – 200.000 daarvan zelfs extreem eenzaam, want zij hebben maar een keer per maand een “sociaal contact”, aldus die site. (Wat daar allemaal onder valt, staat er niet bij. Laten we aannemen dat de caissière in de buurtsuper niet inbegrepen is.)
Bij 65-plussers liggen die aantallen lager, maar daarvan zijn er ook veel minder. Pak een rekenmachine en je merkt waarschijnlijk dat de percentages er hoger liggen.
Van de bewoners in een zorginstelling krijgen er 10.000 nooit bezoek. Eén op de vijf komt bovendien minder dan eens in de maand buiten. Dat verbaast niet als je ziet dat driekwart van die bewoners hiervoor afhankelijk is van anderen: een bezoeker of een vrijwilliger. Sommige ouderen (die 10.000 die nooit bezoek krijgen misschien) komen maar één keer per jaar buiten.

Errug hè, zou de dakloze babyboomerette zeggen die mij altijd slecht nieuws toeroept als ik haar bankje passeer. Maar eerlijk gezegd twijfel ik erg: moet ik door meneer Bot deze cijfers nu anders bezien, of moet ik anders tegen meneer Bot aankijken nu ik deze cijfers heb gezien? Gelukkig heeft hij familie. De familie moet eens vaker naar zijn monologen gaan luisteren.

 

Illustratie: Foto oude mensen mynewoldself.com; Foto President Theodore Roosevelt, 1904, Pach Brothers -US Library of Congress

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.