De opkomst en ondergang van de tikmachine

Babyboomers gingen van handwerk tot computer in 1 generatie

Babyboomers hebben de opkomst en ondergang van de tikmachine bijna vanaf het begin meegemaakt. Na eeuwen geëxperimenteer met ‘schrijfmachines’ werd de tikmachine in de tijd van de babyboomers gemeengoed. Intussen is hij alweer jeugdsentiment.

Handwerk

oude tikmachineSchoolkrantjes tikken deed je op zo’n tikmachine waarop elke letter op een apart armpje zat. Die armpjes konden in de knoop raken als je niet goed mikte en meer dan een toets tegelijk raakte. Afbreken konden ze ook.
Daarop tikken kostte meer kracht dan tikken op een toetsenbord. Je moest flink op een toets slaan om het armpje naar het papier te bewegen – of erger nog, naar een stencil: dan moest de letter een lettervormig gaatje slaan in een heel dun velletje papier. Sloeg je niet hard genoeg of niet gelijkmatig, dan zag het resultaat eruit alsof er een wolkenveld overheen dreef.

Een stencil was een manier om je werk op grotere schaal te vermenigvuldigen. Het bestond uit een achtervel, een dun vel carbon waardoor je kon zien wat je tikte, en een nog veel dunner vel papier waar je al tikkend lettervormige gaatjes in sloeg. Maakte je een fout, dan maakte je het gaatje dicht met een lichtgevend rode lak.
Na het tikken scheurde je het carbon en het achtervel eraf. Dat was een crisismomentje, want als dat hele dunne vel waarop je had getikt scheurde, moest het allemaal over. Daarna klemde je het vel vast aan een soort ovale rol van de stencilmachine en streek je het voorzichtig om de rol heen. Dan kon je met de met inkt besmeurde hand, of liever elektrisch, die rol laten draaien: de machine perste inkt door je lettergaatjes op het papier.
Had je minder kopieën nodig, dan maakte je een soort carbonsandwich: laagje doorslagpapier, vel carbonpapier en zo verder, en bovenop gewoon papier. Die hele stapel draaide je dan in je tikmachine. Ook dan moest je flink op de toetsen rammen, anders was de onderste kopie niet te lezen. Het waren er algauw drie. Op kantoren werd er gewerkt met verschillende kleuren doorslagpapier: iedereen kreeg zijn eigen kleur – wit, roze, lichtblauw.

Toen er al elektrische schrijfmachines bestonden, leerde ik nog tikken op zo’n oude handmachine. Dat moest je kunnen, want je kon er niet op rekenen dat overal elektrische machines stonden. En natuurlijk met tien vingers, ‘blind’, snel en foutloos.
Bij die tiklessen zaten zo’n stuk of twintig meiden (mannen tikken niet) elk aan hun eigen tafeltje met zo’n akelige oude machine en daarnaast een boek met onzinnige lettercombinaties. Iedereen tikte tegelijkertijd dezelfde oefening. Voor de klas zat op een podium een draak van een oudere dame met haar als een roomsoes, die als twee druppels water leek op Mrs. Slocombe uit Are You Being Served. Zij had een houten aanwijsstok in haar handen, waarmee zij de hele les rytmisch op de grond stampte. (Tussen haar knieën, die zij dus niet gesloten hield.) Dat moest het tempo erin houden. Iets anders deed zij nauwelijks. Af en toe riep zij de volgende les af, en als jij dan nog niet klaar was met de vorige keek zij bestraffend – meestal naar mij.

Elektrisch

De elektrische tikmachine was een enorme opluchting: daarop hoefde je niet hard meer te slaan. Het mocht zelfs niet, hoewel die machines naar mijn idee alleen kapot te krijgen waren door ze op de grond te smijten of er koffie in te gieten. Zij wogen een ton, vele malen meer dan een laptop of desktop computer nu en je ging er beslist niet mee slepen.
Ineens kon je ook verschillende lettertypes gebruiken, tenminste als je een IBM Selectric had. De eerste kwam in 1961 op de markt en hij bleef nog jaren onveranderd. De IBM met het bolletje heerste.
Bij de Selectric stonden de letters op een bolletje, dat rond draaide terwijl je tikte. Ik had er een, de Selectric II die in 1973 op de markt kwam. Hij bezorgde mij een hoop betaalde klusjes. De mijne was tweedehands, maar het was alsnog een heel bezit om dat thuis te hebben staan. Zij waren peperduur en stonden bijna alleen op kantoren.

Het was niet makkelijk zo’n machine tweedehands te bemachtigen. IBM nam oude machines terug, reviseerde ze en gaf ze aan scholen voor gehandicapte kinderen. Daar waren ze speciaal geschikt voor, doordat onder de toetsen een plastic vel zat zodat er geen kieren zaten tussen de toetsen. Je kon erop kwijlen en chocola op smeren zonder dat het elektrische binnenwerk gestoord raakte (niet dat ik dat deed: dit vertelde een monteur mij, die ook op scholen kwam waar leerlingen dat deden).

Cursief

Het mooiste was dat je verschillende bolletjes op je machine kon zetten, en zo andere lettertypes kon gebruiken. Die oude machines met die armpjes hadden maar één lettertype en geen cursief. Als je absoluut tekst wilde laten opvallen, moest dat door lelijke onderstrepingen. Nu kon dat ineens wel. Je moest dan wel halverwege een zin stoppen met tikken, bolletje eraf, cursief bolletje erop, woord of woorden tikken, cursief bolletje eraf, gewone bolletje weer terug.
Hoe meer bolletjes je had, hoe beter. Als ik een klus aannam, werd er soms geïnformeerd of ik wel het goede bolletje bezat met het standaardlettertype van het bedrijf. Meestal was dat dan zo. Ik was een van de weinige mensen die het grote blauwe doosje vol bolletjes had én een paar van die kleine doosjes met een enkel bolletje erin. Als ik het bolletje niet had, moest ik naar het bedrijf om er een op te halen en de typistes daar gaven dat met tegenzin mee.
Selectric met bolletjes
De Selectric II die ik had kon ook ‘zelf’ corrigeren: behalve het gewone inktlint (dat nu in een cassette zat) was er een wit lint, waarmee je de fout getikte letter kon laten verdwijnen: hij werd er in wit overheen getikt. Voor die tijd moest je knoeien met Typex (die nooit snel genoeg droogde naar je zin en je toetsen dan vies maakte) en, erger nog, een inktstuf dat je ook op alle kopieën moest gebruiken.
Als je niet tamelijk foutloos kon tikken, moest je soms helemaal opnieuw beginnen omdat het er te smerig uitzag of er gaten kwamen in het papier. Mij gebeurde dat niet, want ik wist dat nog van de tikles: ik nam géén klussen aan met doorslagen.

Elektronisch

In de jaren 80 kwamen er elektronische tikmachines met een geheugen. Dat was het begin van het einde voor de tikmachine. Die elektronische machines hadden allang geen bolletjes meer. Je had ‘daisywheels’: de letters stonden op een plat rond wiel dat ronddraaide.
Het waren een soort printers en toetsenbord in een: als de tekst er goed inzat, kon je hem verschillende keren afdrukken. Je kon ook documenten en formaten opslaan op verschillende soorten diskettes.

tikmachine met geheugen

Tikmachine met 6000 tekens geheugen. Foto: Monochrome via Flickr 2.0 Generic (CC BY 2.0)

Dit was de stap naar de tekstverwerker, waarmee toen niet een stukje software werd bedoeld maar een machine. Bij sommige van die eerste tekstverwerkers zag je maar een paar woorden of een regel van de tekst die je aan het redigeren was: zodra het mogelijk werd computers te maken die niet meer een hele kamer in beslag namen, gingen de laatste tikmachine-achtigen de deur uit.

word processor

Word processor. Foto: Kevin586 – CC BY-SA 3.0 via Commons

 

Grote foto: Studenten aan het werk met oude tikmachines en stencilmachine. Foto Wystan CC BY 2.0 via Flickr
IBM Selectric: foto Oliver Kurmis CC BY 2.5 via Wikimedia Commons
Selectric II bolletje Hadar foto Etan J. Tal CC BY 3.0 via Commons

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.